Nils Yttri (1947-1980)


HET ORKEST BEGON OUD TE WORDEN

Het was het laatste orkest daar in de streek
En het werd steeds ouder
Het was bezig aan z’n laatste noot
Zeiden de mensen
Niet dat het orkest oud van jaargang was
Nee eerder op jaren
De noten klonken niet meer zo helder
Over de velden
Het riet verloor z’n ritme
En het gras trilde van woede
De stemmen klonken niet meer waar ze zouden moeten
En de vogels zaten te gapen op hun takken
De schlagers kregen de stenen in de berg
Niet langer vrolijk aan het buitelen

En het orkest werd steeds ouder
En het orkest was het allerlaatste daar in de streek
Weet je wat het is met ouder wordende orkesten
Zeiden de mensen
Niemand houdt zoveel van zijn eigen muziek
Als zij
Niemand houdt de laatste noot
Zo lang aan
Als zij


Uit Turister i nattens lugar (1979)



Vertaling gepubliceerd met toestemming van Gyldendal Norsk Forlag

Jon Fosse (1959)

Foto Knut A. SyedGNU Free Documentation License













STRANDEBARM, HARDANGER

perebomen en ouderwordende boten van hout die
lek zijn en leeggehoosd moeten worden, maar
na een paar dagen in het water lekken die boten minder
en ten slotte lekken ze nog maar een klein beetje, hoe oud die boten ook zijn en
dan hoeft er alleen nog maar regen
uit de boten gehoosd te worden

en boothuizen gebouwd van planken, ongeverfd, wegrottend
en met grote zware ongelijke platte leien op het dak die
scheef hangen en elk moment naar beneden kunnen lazeren, maar
ze vallen waarschijnlijk nooit naar beneden (of bijna nooit, zelf heb ik
nog nooit zo'n daklei naar beneden zien vallen of op het strand gevallen zien liggen), een                                                                                                                       [kerk

midden in het dorp, met een begraafplaats eromheen, in de aarde daar
liggen er heel wat die ik goed gekend heb
toen ze nog leefden, voor ze doodgingen

Uit Nye dikt (1997)




Jon Fosse in wikipedia
Ligging van Strandebarm aan de Hardangerfjord. Jon Fosse is er opgegroeid. 

Met dank aan Jon Fosse

Knut Hamsun (1859-1952)

Knut Hamsun door Alfredo Andersen



OVER HONDERD JAAR WEET GEEN MENS ER MEER VAN

Ik loop maar te somberen vanavond, een vreeslijke strijd,
ik kom mezelf voor als ’n gekapseisde boot,
en wat ik ook jammer en wat ik ook lijd,
geen enkele redding uit de nood.
            Maar wat maak ik me zorgen, waarom zo bang?
            Over honderd jaar weet geen mens er meer van.

Dan liever een liedje gezongen, hup, dansen en leve de lol
en mijn leven maar zien als een mooie roman.
Ik vloek en ik tier en draai door als een trol
en zuip mezelf klem, ja, helemaal lam.
            Maar waartoe al die fratsen, wat heb je d’r an?
            Over honderd jaar weet geen mens er meer van.

Dan geef ik liever mezelf maar gewonnen,
dan maar naar zee met m’n gepijnigde ziel.
Daar word ik dan ooit nog wel ’s gevonden
jammerlijk verdronken en wel.
            Maar dat is toch zeker geen eind voor een man?
            Over honderd jaar weet geen mens er meer van.

Dan beter maar doorgaan, onbezorgd leven,
voor ’t jaarlijks seizoen produceer je een boek,
op ’t eind word je tot prins van de dichtkunst verheven,
tot keizer van de roman, maar dan valt het doek.
           Dan is er nog enkel één ding dat me dwarszitten kan:
           over honderd jaar weet geen mens er meer van.


Uit Det vilde Kor (1904), zoals opgenomen in Samlede verker, bd. 22
Vertaling gepubliceerd met toestemming van Gyldendal Norsk Forlag

Nils-Øivind Haagensen (1971)

Foto Heidi Furre



















GOOCHELARIJ

ik weet niet hoe oud we waren
maar de mensen kwamen van heinde en ver naar ons kijken
een fabelachtig duo
met een verdwijntruuk
waar niemand iets van snapte
ik wil hier nou niet al te technisch worden
maar wij moesten achteraf wel lachen
stiekem lachen om die stommelingen in de zaal
maar in alle eerlijkheid:
als er iemand een stommeling was dan waren wij het wel
en de verdwijntruuk was een wat slappe metafoor
voor wat ik tegenwoordig graag noem
het kind in mij



Uit Et godt sted (1999)



Met dank aan Nils-Øivind Haagensen

Stig Holmås (1946)

© 1985 Bergens Tidende


















EEN KAM UIT SAMARKAND

Onder mijn schamele bezittingen
bevindt zich ook een tweesnijdende kam
van teak.
Die kan je bij tegenwind gebruiken
en is gekocht in Samarkand.
De kammenmaker was heel oud,
en hij stamde in rechte lijn af
van vijf andere kammenmakers.
Hij had één blauw oog,
en één bruin.

Mijn vrienden hebben ook zo
hun heel speciale bezittingen.
Een speelt er prachtig
op de viool van Obstfelder.
Een ander schrijft gedichten
met de vulpen van Wildenwey.

Een keer per maand komen we bij elkaar
in een oud landhuis aan zee.
Als het waait,
willen mijn vrienden dat we allemaal
eerst het terras op gaan.
“Doe je haar,” zeggen ze,
“met de kam uit Samarkand.”


Uit Her (1985)
















Sigbjørn Obstfelder
Herman Wildenwey

Met dank aan Stig Holmås.

Knut Ødegård (1945)


Knut Ødegård leest 'Alt dette' ('Dit alles') op Poetry International Rotterdam, 2013


DIT ALLES 

Als we straks oud zijn, jij en ik
en de kraaien ons komen halen
(kra-kra, en weg zijn we, 
in een wiekslag naar de lucht)
waar is onze liefde dan?

Waar is dan deze mond die iets 
zegt over een barst in het koffiezetapparaat, roest op de auto, hart-
controle, een vulling die eruit is gevallen, de telefoonrekening
of (romantisch) over de maan zo goud
en de lijsterbes die in bloei staat, die alles recht probeert te praten aan halve
leugentjes, verraad, en wat hij maar niet zeggen kan over het kind
dat we nooit hebben gekregen en die al kussend
met de jouwe samensmelt.

Of deze ogen die dag in dag uit maar naar het groene beeldscherm turen
en naar jou kijken als jij je tegen de avond uitkleedt: Je
dooft bedeesd het licht en staat als silhouet met rijpe borsten
en dijen tegen ’t licht dat ijl
van de kobaltblauwe IJslandzee het raam komt binnenzweven.

Of deze handen die maar schrijven, schrijven, de
sneeuwscheppen terugzetten en jou
over je ledematen strelen tot je brandt en mij wil
als ramkracht tegen hindernissen, en ik onstuitbaar
in je openbarst, in je weggehaalde
baarmoeder hier in Reykjavik?

Waar is dit alles wat wij onze liefde noemen
als de kraaien komen?
Want ze halen ons niet samen. Een van ons
ligt daar als eerste op het sneeuwvuile veld aan zee (geel gras van vorig jaar, smeltresten                                                                                                          voorjaarssneeuw)
als de zwarte kraaien in mond, in ogen, handen en geslacht komen pikken.

Diegene van ons die dan achter het raam hierbinnen achterblijft, liefste,
die ’s ochtends wakker wordt en al
onze vertrouwde dingen doet. De ochtendkrant ophaalt die
in de brievenbus gestoken zit. Die kranen opendraait
en zich in de spiegel ziet: Ziet diegene van ons daar dan meer
dan het eigen gezicht? Zal dat andere gezicht dan
door het gezicht in de spiegel heenschijnen, zoals verlaten huizen
te schijnen staan aan zee? 

(Voor Þorgerður)


Uit Kinomaskinist (1991)


 

'Alt dette' in de vertaling van Roald van Elswijk
'Alt dette' in de vertaling van Brian McNeil (Engels)

Terje Johanssen (1942-2005)

Gyldendal Norsk Forlag



















HET LANGE LEVEN 

Het leven is zo lang, af en toe
duurt het maandenlang
onderbroken door hoog gras,
diepe rivieren
en kussen
die net zo lang duren als een appel
valt
in de kleine seconde tussen zomer en herfst


Uit Utteksti (1997)



Vertaling gepubliceerd met toestemming van Gyldendal Norsk Forlag

Vilhelm Krag (1871-1933)

Foto Anders Beer Wilse, 1919. Norsk Folkemuseum
















     



            
            FANDANGO

      Géén fanfaremuziek!
     Stil jullie, marszware ritmes!
     Stil, nondeju, muzikanten!

De Tsjerkessische meisjes, Tsjerkessische meisjes,
     laat ze toch komen!
Naar binnen ermee, laat ze dansen op rank-slanke voetjes
     op gedempte muziek
     van verre gitaren.
Zoemende, koerende, kozende tonen,
lachende, smachtende, smoezige tonen,
     zinnelijk zoet:
     Fandango!

Duisterrood schijnsel om de veerlichte dans,
oplichtende sluiers als wolken van zilver,
golvende armen die smedig zich sling’ren
     in dans!
Een oortje zo rood en een vingertje wit
en voetjes, die geruisloos, bliksemsnel trippen
     in ’t zijdehaarzwart van het sabelbont vloerkleed. ―
En tink’lend gerinkel van sieraden, edele stenen.
     En wangen. En ogen.
     Fandango!

Zerlina, mijn dienstmaagd, je hals is zo lief,
     je oog is zo zwart,
maar je oog is zo nat, Zerlina.

Zerlina, mijn dienstmaagd, je lip is zo rood,
     je wang is zo rond,
maar je wang is zo bleek, Zerlina!

Zerlina, mijn dienstmaagd, je huid is zo zacht,
     je mond is zo fris.
Maar ― waarom trilt je mond, Zerlina?

“Ach heer, naar het najaar loopt het weer toe
     en de rozen van Perzië vallen.
De dauwdruppels wenen op d’anjermond,
     en o heer, de blaren verwelken.”

Zerlina, mijn dienstmaagd, heb dank voor je dans
     en je woord. ― Maar laat me nu even.

Verwelken. Verwelken,
     ’t is ál aan ’t verwelken,
de wereld verwelkt, en rozen en vrouwen,
mijn lichaam en al m’n trillende zenuwen
     verwelken!

En de tijd glipt me traag maar gestaag door de vingers,
en de uren zijn bedaard onderweg naar mijn graf.
Ik durf niet te denken ― ik durf niet te leven.
     Sterven? O nee!

En in deze dodelijk nachtdiepe stilte
Verwelken. Verwelken,
     ’t is ál aan ’t verw ...
Muziek, muziek, fanfaremuziek,
     de grote Chinese trom!


Uit Digte (1891)
















Hoor het gedicht voorgelezen in het Noors (mij vooralsnog onbekend door wie).

Fandango werd op een studentenbijeenkomst voorgelezen door Jens Thiis in oktober 1890. Vilhelm Krag was toen 19 jaar. Het gedicht markeert het begin van de neoromantiek in de Noorse poëzie. Een aantal gedichten uit deze bundel is op muziek gezet door Edvard Grieg en Alf Hurum.

Wat is een fandango...

Luister naar het lied van de goudplevier

Annie Riis (1927)

H. Aschehoug & Co



















Snij de nachten in kleine stukjes en leg ze op een dunne laag
suiker, kaneel en gember.
Sprenkel er citroensap overheen om verkleuren te voorkomen.
Bak ze 32 jaar op een laag pitje.
Een laagje poedersuiker kan eventuele maansverduisteringen tegengaan.
Voeg het ochtendlicht toe.
De verse nachtstukjes smaken uitstekend
bij wat pasgevallen dauw op grote, groene rabarberbladeren.


Uit En som het En (2012)












Met dank aan Annie Riis

Nils-Øivind Haagensen (1971)

Foto Heidi Furre




















(02:23)

en sommige nachten
heb ik het gevoel alsof
alle mensen
die ooit in
een neerstortend vliegtuig
hebben gezeten
wetend dat ze dood zullen gaan
in mij zitten



Uit God morgen og god natt (2013)




Nils-Øivind Haagensen is genomineerd voor de Literatuurprijs van de Noordse Raad 2013

Met dank aan Nils-Øivind Haagensen

Helge Torvund (1951)

















GA TOCH NAAR HUIS!

Vergeet die stranden!
Ga naar huis en kom hier nooit meer terug!
Deze ruimten zijn te groot.
Deze golven te geweldig.
De duinen roeren zich
als vrouwenlijven
in een honderdjarige slaap.
Vergeet het allemaal!
Zet een streep door dit vergezicht!
Ga naar huis naar je kinderen,
naar je werktafel en
het mogelijke!
Hier zijn zulke geweldige gedachten.
Zoveel tinten grijs!
Hier zijn zandkorrels
naar Gods beeld.
Golven die de voeten van
de profeet schoonwassen.
Ga naar huis en kus je doordeweekse dag! 


Knut Ødegård (1945)




LENTE

Lente! Wondermooie oude woorden voor
milde winden uit het zuiden als alle dakgoten
van de stad zich hees gegorgeld hebben van regen en slijk
ten hemel spat (en mij onder-!) van gele
bussen door de stad:
Onderbroeken lakens als triomfantelijke
vaandels in de wind van moeders waslijnen wapperend, laarzen-
tijd en dammen die het begeven, een zondvloed raast
langs de rivier de Molde naar beneden, stort de fjord in
zoals geweldige walvissen hun fonteinen
ten hemel spuiten en met grote harten
diep het ijswater inglijden. O lente van de kindertijd! Je komt

met milde winden tegen moeders schone was aan de lijnen
en vouwt kledingstukken uit als reusachtige postzegels:
De grote rooie of groene uit Spanje die op hun kant 
stonden, waar is de postzegelverzameling van mijn kindertijd?
Op zolder in moeders gele huis in de lente zijn ze,
deinende trappen op, met andere oude dromen
weggeborgen in het dunne zolderdonker: Mijn water-
verfdoos, de figuurzaag met triplex
en mijn herbarium met de witte wintergroenbloem
die ik in de bosgrond van mijn puberteit vond (vochtige
aarde en mannetjesvaren, dunne vingers onder
varenblad). Daar
komt de lente op volle kracht met zijn grote gevoelens! Het post-
zegelhart (het grote, dat op brieven uit verre landen zat) vliegt
de trappen op, ze maken scherpe bochten en deinen naar boven
naar de zolder van het huis van mijn kindertijd. Doe
het zolderraam open en milde winden uit het zuiden strelen
lichtend langs de dromen van mijn kindertijd. Vogelzang breekt binnen
en weldra barst ik, als de oude berk
in de tuin, uit in 'n duizelingwekkend groen gejubel

Uit Biesurr, laksesprang (1983)



over Knut Ødegård
Molde, geboorte- en woonplaats van de dichter 

Knut Ødegård (1945)




ANTIQUITEIT

Het zal niet lang meer duren
of ik ben zelf
een antiquiteit. Het ruikt hier
binnen naar drop, zwarte en zoete.
Op een goeie dag
klingelt
de winkeldeur: een man
in donkere kleren wijst
mij aan en betaalt de prijs,
de antiquair telt
het geld, knikt, en de man
verdwijnt
de sterrenhemel in. Z'n ogen
heb ik niet gezien. 
Maar hij draagt me
heel voorzichtig in een witte doos
naar de parkeerplaats
en zet de kindergordel vast. Vervolgens
rijden we naar moeder en vader
voorbij de bocht, helemaal de heuvel op
waar het raam van mijn kindertijd
de nacht in schijnt. We zijn er,
zegt de man, en onder ons
tolt de aarde rond
rond terwijl de autolampen hun weg zoeken
tussen de sterren.


Uit Buktale (1994)



Bjørnstjerne Bjørnson (1832-1910)





APRIL IS ECHT MIJN DING

April is echt mijn ding.
De ouwe zooi stort in mekaar,
het nieuwe neemt het over; 
het geeft natuurlijk wat kabaal, -
maar alles beter dan een suffe boel, 
het gaat erom dat je wat wíl.

April is echt mijn ding,
hij maakt schoon schip,
hij lacht je toe en smelt de boel
hij barst van de potentie,
hij maakt een golf van krachten los, - 
hij stoomt de zomer klaar!


Over Bjørnson
foto: Anders Beer Wilse [CC-BY-2.0], via Wikimedia Commons (Klik op de foto om te vergroten)

Erling Kittelsen (1946)




DE SLAPER

De slaper zet zijn stappen
de slaper heeft geen doel voor ogen
de slaper verplaatst zich zonder erg
de slaper weet niet wie hij tegen zal komen
de slaper ligt wakker in zijn slaap
de boot staat stil op zee
de dood een gekooide leeuwerik
geen wolkje aan de lucht
de slaper slaapt ze weg

Iedereen is stilzwijgend tegen hem
iedereen stilzwijgend aan zijn kant
iedereen in de kring praat
de slaper slaapt zo lief
de slaper heeft geen antwoorden
wordt wakker met vragen op zijn tong
de slaper slaapt buiten en binnen
de slaper zijn straat is richtingloos
zijn teen wijst recht omhoog

De slaper slaapt zichzelf weg
wordt wakker in een andere boot
zijn dromen hebben geen vat meer
de slaper heeft een droom over slapen
de slaper slaapt alleen
of met iemand anders in dezelfde droom
de vrouwen maken dat hij wakker wordt
de slaper laat zich wiegen op de lente
laat zich toedekken met sneeuw

De slaper vergeet dat hij lijdt
de slaper slaapt tot hij doodgaat
mag alleen gewekt worden als het belangrijk is
de slaper slaapt in elk geval
de slaper kent er maar één als hijzelf
de slaper komt niks te kort
de slaper kent zijn noden
de slaper is niet ziek of zat
de slaper is niet gek of wijs

De slaper slaapt 90 jaar
de slaper slaapt overal
de slaap zoekt ook in het water
de droom zoekt ook op de grond
bij elkaar liggen als bladeren
stemmen klinken en stijgen op
verspreiden zich en vallen als regen
niemand wint met kracht
niemand wint met zwakte

De slaper slaapt tegenaan
de slaper neemt nooit afscheid
de slaper slaapt boven
de slaper ligt onder
de slaper wordt niet wakker van een tuba
de slaper vindt droom ouderwets
de slaper vindt data ouderwets
de slaper vindt divan ouderwets
de slaper waart rond in de slaap.


Het oorspronkelijke gedicht is nog niet gepubliceerd. Vertaling met toestemming van de auteur.
Deze vertaling is ook gepubliceerd in Vertaallab van de literaire weblog Ooteoote.

Het refugium der poëzie

“Vandaag werden de internetgemoederen opgeschrikt door de mededeling dat de poëzie definitief dood zou zijn. De schreeuwende kop werd besloten met een vraagteken. Maar het leed was al geschied. Er voer een schok door de wereld. De poëzie! Dood! Het einde van de poëzie. Maar gelukkig ging het als zo vaak weer eens om een storm in een glas water dat intussen al aan een flinke vervuiling blootstaat door alle rommel die erin gegooid en steeds weer opgerakeld wordt.” Lees meer

No bookstores left and libraries shut down....

“(…) in this age of short attention spans, poetry may end up by being the only literature people will read. With no bookstores left and libraries shut down, lovers in need of additional romantic stimulus will have to reach for their iPhones and find a poem suitable for the occasion to read to each other.” Charles Simic op The New York Review of Books.
 lees meer

Einar Økland (1940)




HET GRAS IN DE TUIN MOET ERAF, ZEGT MAMMA


Kikkertje Kwek
die gek
zat in de tuin.
Daar werd hij gegrepen,
mamma's zeis pas geslepen
ging dwars door zijn buik.

Mijn mamma die zei:
Da's niet zo best van mij.
Maar Jantje Kwek
die gek
was blij.

Wat leuk dat u langs kwam lopen!
zei hij,
en viel beleefd overdwars voor haar open.

Mamma zei:
Ik kan het niet aanzien, wat erg.
En ging maar weer door met haar werk.

Wat je niet allemaal tegen kan komen
op zo'n dag in de tuin in de zomer.


Uit Du er så rar (1973; met ills. van Kari Bøge)












Met dank aan Einar Økland